Een oude tandartsstoel in een klinische behandelkamer, zoals die er decennia geleden uitzag Een oude tandartsstoel in een klinische behandelkamer, zoals die er decennia geleden uitzag

De kindertandarts van vroeger: waarom was die stoel zo angstaanjagend en hoe ging dat er eigenlijk aan toe?

Je zat op die plastic stoel in de wachtruimte en wist al wat er ging komen. Niet door wat iemand zei, maar door de geur: een mengeling van carbolzuur, muntdesinfectant en iets zoetigs dat je niet kon thuisbrengen. Je maag draaide er alvast een beetje van om. Want die geur betekende maar één ding: je was bij de kindertandarts.

De wachtkamer als voorportaal van het onbekende

De wachtkamer van de kindertandarts vroeger was geen plek om tot rust te komen. Op een lage tafel lagen vergeelde Donald Duck-jaargangen waarvan de ruggen al langszij waren gescheurd door tientallen nerveuze handjes. Aan de wand hing een tikklok. En dan was er het geluid: een hoge, dunne toon die door de muur sijpelde en waarvan je precies wist wat het was. De boor. Ergens achter die deur was al een kind bezig met iets waar jij zo ook doorheen moest.

Ouders zaten erbij als ze niets konden doen, want dat konden ze ook niet. Ze lazen een oud tijdschrift of keken naar de klok. Soms gaven ze je een bemoedigend schouderklopje. Dat maakte het eigenlijk alleen maar erger.

Wie was die man eigenlijk?

De Nederlandse kindertandarts van vóór 1995 was zelden een specialist in de moderne zin van het woord. Hij (het was bijna altijd een hij) had de algemene tandartsopleiding gevolgd, werkte misschien al twintig jaar en had zich in die tijd een manier van werken aangemeten die paste bij de opvoedcultuur van zijn generatie: gezaghebbend, efficiënt en weinig geneigd tot uitleg. Kindpsychologie was geen onderdeel van de opleiding. Communicatie met een angstig zesjarige evenmin.

Dat betekende niet dat het slechte mensen waren. Velen waren oprecht vriendelijk, op hun eigen manier. Maar hun aanpak sloot aan bij een tijd waarin je als kind gewoon deed wat een volwassene zei, en zeker wat een dokter of tandarts zei. Vragen stellen was brutaal. Huilen was lastig.

Het moment van binnenroepen

Dan ging die deur open. Je naam werd geroepen, soms door de tandarts zelf, soms door een assistente in een wit schort. De overgang van wachtkamer naar behandelkamer was abrupt: van de gedempte spanning van buiten naar het felle, klinische licht van de praktijkruimte. Er stond de stoel. Die stoel was groot, en hij wachtte op jou.

In de stoel: stap voor stap

Je klom erin. Dan klapte de rugleuning achterover, verder dan je verwachtte, waardoor je even het gevoel had de controle te verliezen. Boven je hing een lamp zo fel als de zon. De tandarts trok zijn handschoenen aan (dat geluid, dat snappende rubber) en pakte een metalen haak. Die ging even kijken, zoals hij het noemde. Keek soms lang.

Wat er daarna volgde, hing af van wat hij vond. Soms was het snel voorbij. Soms niet. Er was weinig aankondiging, weinig uitleg. Je lag gewoon achterover, met je mond open, en wachtte af wat er ging gebeuren.

Het geluid dat alles oversteeg

De boor van destijds produceerde een hogere toon dan moderne apparatuur. Dat is geen nostalgie: het is fysica. Oudere boren draaiden met een ander toerental en maakten een geluid dat scherper en indringender was. Neurologisch gezien komt een hoge, gelijkmatige toon harder aan dan een laag gebrom, zeker voor kinderen, bij wie het auditieve systeem nog gevoeliger is. Als het geluid eenmaal begon, was er geen ontkomen aan. Niet aan het geluid, en niet aan de trillingen die je in je kaak voelde ook als de boor nog niet dicht bij de pijnlijke plek zat.

Verdoofd of niet verdoofd

Of je verdoving kreeg, was een beslissing die de tandarts nam, zelden nadat hij het had uitgelegd. Soms zei hij: dit gaat even prikken. Soms zei hij niets en begon hij gewoon. De injectie zelf was voor veel kinderen al een drempel. En dan het wachten tot de verdoving werkte, met een wang die aanvoelde als een vreemde ballon. Of, bij kleine gaatjes, helemaal geen verdoving, omdat het toch wel meeviel. Vanuit zijn perspectief dan.

Wie besloot dat het meeviel? Niet jij.

De fluoridebehandeling als ritueel afsluiting

Als alles voorbij was, volgde de fluoridebehandeling. Een plastic bakje werd in je mond geplaatst, gevuld met een schuimige gel in een kleur die er vrolijk uitzag maar smaakte naar kunstmatig fruit met een chemische ondertoon. Je moest er een minuut of twee op bijten, soms langer. De tijdsduur voelde eindeloos. Daarna: het verbod op drinken of eten voor minstens een halfuur. Je liep de gang uit met een mondgevoel dat moeilijk te omschrijven was, en een lolly die je van de assistente had gekregen als troostprijs, die je dus toch niet mocht opeten.

Geen ruimte voor tranen

Kinderlijke angst werd in die decennia zelden serieus genomen als iets dat aandacht verdiende. Het paste in een bredere opvoedcultuur: je deed wat er gevraagd werd, je was dapper, en als je dat niet was, dan was dat jouw probleem. Een huilend kind in de stoel was voor de tandarts een praktisch probleem, geen signaal om de aanpak te heroverwegen. De uitdrukking doe je mond open werd niet als verzoek bedoeld.

Niet overal, niet altijd. Maar het patroon was wijdverspreid genoeg om een generatie te vormen.

Wat al die bezoekjes naliet

Tandartsangst bij volwassenen gaat in verrassend veel gevallen terug op één specifieke herinnering uit de lagere schooltijd. Niet op tien bezoeken, maar op één. Dat ene moment waarop iets pijn deed dat niet mocht pijn doen, of waarop niemand luisterde, of waarop de combinatie van geur, geluid en machteloosheid te groot werd. Het brein slaat dat soort ervaringen nauwkeurig op, als een soort alarm voor later.

Dat is de reden waarom iemand van veertig of vijftig bij de gedachte aan de tandartsstoel nog steeds dat oude gevoel herkent. Niet omdat de huidige tandarts gevaarlijk is, maar omdat de kindertandarts van vroeger zo’n diepe indruk heeft achtergelaten.

Een gedeeld collectief geheugen

Als je dit onderwerp ter sprake brengt bij mensen die zijn opgegroeid in de jaren zeventig, tachtig of begin negentig, komt de herkenning snel. Iedereen heeft zijn eigen versie van hetzelfde verhaal: die specifieke geur, die stoel, dat geluid. Het is een van de weinige gedeelde ervaringen die dwars door sociale klasse en regio heen gaan. Of je nu in Groningen woonde of in Zeeland, op een dorp of in een stad, de kindertandarts van vroeger voelde overal min of meer hetzelfde.

Het goede nieuws: kinderen van nu groeien op met tandartsen die communiceren, uitleggen en vragen hoe het gaat. Dat is geen toeval, maar het resultaat van decennia inzicht in wat er vroeger misging. Soms is de beste manier om iets te verbeteren, teruggaan naar waar het begon.

De kindertandarts van vroeger was geen monster, maar de combinatie van geur, geluid, gezag en weinig uitleg maakte die bezoeken tot ervaringen die diep zijn blijven hangen. Niet voor niets heeft een grote groep volwassenen er nu nog een drempel door bij de tandarts. Die gang, die stoel, die boor: ze hebben meer indruk gemaakt dan ooit de bedoeling was.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *