Een klassieke DAF auto in een oude Nederlandse garage Een klassieke DAF auto in een oude Nederlandse garage

DAF door de jaren heen: waarom elke Nederlandse familie vroeger wel een DAF in de garage had staan

Vraag iemand van boven de vijftig naar zijn eerste auto, en de kans is groot dat er een DAF in het antwoord opduikt. Niet als curiositeit, maar als vanzelfsprekendheid: een kleine, ronde wagen met een continu variabele transmissie die reden genoeg was voor eindeloze verhalen. Geen versnellingspook, geen koppeling, en een auto die in theorie net zo hard achteruit reed als vooruit. Voor een generatie Nederlanders was dat geen bijzonderheid, maar gewoon: de auto van thuis.

Eindhoven bouwt een droom voor Jan met de Pet

Het verhaal van DAF begint niet met een auto, maar met een aanhangwagen. Hub en Wim van Doorne richtten in 1928 in Eindhoven een aanhangersfabriek op. Geen glamoureus beginpunt, maar wel een eerlijk één. Na de Tweede Wereldoorlog, in een land dat zichzelf opnieuw moest uitvinden en waar de gemiddelde Nederlander ver verwijderd was van zoiets luxueus als een eigen auto, besloten de gebroeders Van Doorne dat het anders kon. Niet een auto voor de elite, maar een auto voor de bakker, de postbode, het jonge gezin in de nieuwbouwwijk.

In 1958 rolde de DAF 600 van de band. Klein, betaalbaar, en voorzien van een uitvinding die niemand zag aankomen: de Variomatic. Eindhoven, al bekend van Philips en het idee dat technologie voor iedereen toegankelijk moest zijn voegde er een automotive uitvinding aan toe die de wereld zou veranderen.

De DAF 600 rijdt Nederland binnen

Voor een land dat midden in de wederopbouw zat, was de DAF 600 meer dan een auto. Het was een belofte. Een gezin in Tilburg of Haarlem dat nooit had kunnen dromen van een eigen wagen, kon nu voor een paar honderd gulden mobiliteit kopen. Vrijheid, in de meest letterlijke zin. Geen afhankelijkheid meer van de tram of de fiets als het regende. Een uitstapje naar de Veluwe op zondagmiddag. Boodschappen doen in het naburige dorp zonder te sjouwen.

De DAF democratiseerde de auto in Nederland. Niet door te pronken, maar door beschikbaar te zijn.

Die riem die alles veranderde

Dan de Variomatic. Technisch gezien gaat het om een continu variabele transmissie, aangedreven door twee V-riemen en variabele poelies. In gewoon Nederlands: geen versnellingspook, geen koppeling, gewoon gas geven en rijden. Voor mensen die vertrouwd waren met de nachtmerrie van een schokkerige koppeling in een volle parkeergarage, klonk dit als magie.

Rijscholen waren er dol op. Een vrouw die in 1971 haar rijbewijs wilde halen en al maanden streed met de koppeling van de gezinsauto, stapte over op een DAF en had haar papiertje binnen een paar weken. Geen koppelingsangst meer, geen gestoter bij een stoplicht op een helling. De DAF gaf een hele generatie rijbewijshouders het vertrouwen dat andere auto’s hen ontzegden.

Het gevolg was dat de DAF buitenproportioneel populair werd bij een groep die tot dan toe nauwelijks was meegenomen in de automarkt: vrouwen die zelfstandig wilden rijden, senioren die de coördinatie van schakelen lastig vonden, en zenuwachtige beginners die gewoon van A naar B wilden.

Drie scènes die een tijdperk vangen

Stel je voor: een vader in 1963, werknemer bij een drukkerij in Utrecht, die op een zaterdagochtend met zijn gezin naar de dealer rijdt. Hij heeft gespaard. Hij koopt een DAF 44, donkergroen, en rijdt hem trots de straat in terwijl de buren voor het raam staan.

Acht jaar later, 1971. Zijn vrouw heeft altijd gereden met hem als bestuurder. Nu meldt ze zich aan bij de rijschool. De instructeur heeft een DAF. Na zes lessen heeft ze haar rijbewijs. Ze rijdt voortaan zelf naar de markt, naar haar moeder, naar waar ze wil.

En dan, ergens midden jaren tachtig: hun zoon, zeventien jaar, erft de inmiddels roestige DAF 66 van zijn ouders. De lak is dof, er zit een deuk in de achterbumper, maar hij rijdt. De jongen maakt er zijn eerste ritjes mee, naar school, naar vrienden, naar zijn eerste zomervakantie in een tent op de Veluwe. De DAF stinkt een beetje naar olie maar heeft nooit laten hem staan.

Dit zijn geen uitzonderlijke verhalen. Dit zijn de verhalen die bijna elke Nederlandse familie van een bepaalde generatie herkent. De DAF auto vroeger in Nederland was geen statussymbool. Het was gewoon leven.

Achteruit rijden net zo snel als vooruit

Geen artikel over DAF is compleet zonder het beroemdste volksverhaal uit de Nederlandse autogeschiedenis: de DAF kon achteruit even snel rijden als vooruit. Kinderen vertelden het elkaar op het schoolplein. Volwassenen beweerden het te hebben gezien.

En het klopt, tenminste gedeeltelijk. De Variomatic had technisch gezien ook een variabel bereik in de achteruitversnelling, waardoor een vroeg model bij wijze van spreken aardig wat snelheid kon maken in achteruitrijdende richting. In de praktijk was het gevaarlijk en dom om te proberen, maar de mogelijkheid bestond. Precies het soort technische eigenaardigheid die een merk zijn mythische status geeft. Je herinnert je de auto die een verhaal heeft, niet de auto die gewoon reed.

De concurrentie wint, maar het gevoel blijft

In 1975 nam Volvo een meerderheidsbelang in DAF Personenwagens. De modellen gingen verder als Volvo 340 en 360, de Variomatic bleef nog even, maar de naam DAF verdween langzaam van nieuwe auto’s. Voor veel Nederlanders voelde dit als het verlies van iets vertrouwds. Een merk dat zo geworteld was in de alledaagsheid van het Nederlandse gezinsleven, opgeslokt door een Zweedse multinational.

Maar herinneringen laat je niet inruilen. Wie als kind in een DAF zat, of als jongvolwassene leerde rijden op een Variomatic, draagt dat mee. Niet als groot sentimenteel gewicht, maar als een rustige, warme achtergrondherinnering. Zoals de geur van die garage.

Waar de DAF’s nu zijn

Ze rijden nog. Bij veteranenrally’s in Brabant zie je ze in rijen staan, gepolijst en vertroeteld door eigenaren die soms tientallen jaren aan dezelfde auto werken. De DAF Club Nederland telt nog altijd een trouwe achterban van liefhebbers die hun 55’er of 66’er in museumstaat bewaren. Op klassiekermarkten gaan goed onderhouden exemplaren voor prijzen die opa destijds de ogen zouden hebben doen uitpuilen.

En in nostalgische media, op sites en in documentaires over de Nederlandse naoorlogse geschiedenis, duikt de DAF steevast op als symbool van een tijdperk. Niet als statussymbool of als toonbeeld van vernuft, maar als het ding dat in de garage stond. Het ding dat rook naar olie en avontuur tegelijk. Het ding dat heel gewone mensen naar heel gewone plekken bracht, en dat daarmee iets bijzonders deed.

De DAF was geen statussymbool en ook geen rijdende droom. Het was een nuchtere, betaalbare auto die deed wat hij moest doen, en daardoor stond hij bij zo’n beetje iedereen voor de deur. Die gewoonheid is precies waarom hij niet vergeten wordt. De verhalen over de riem, de ronde carrosserie en de zaterdagochtend met motorolie op de handen gaan in veel Nederlandse families nog steeds rond.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *