Interieur van een klassiek Nederlands grand café met hoge plafonds, houten lambrisering en grote ramen Interieur van een klassiek Nederlands grand café met hoge plafonds, houten lambrisering en grote ramen

Café de Jaren en andere iconische jaren 90 cafés die het Nederlandse uitgaansleven bepaalden

Je stond er zomaar op een woensdagmiddag, rugzak over één schouder, en besefte dat je de komende twee uur helemaal nergens heen hoefde. Café de Jaren in Amsterdam, of een van zijn evenknieën in Rotterdam of Utrecht, was precies die plek. Geen reservering, geen tijdslot, gewoon een stoel bij het raam en een pilsje dat je net iets te lang liet staan. De grand cafés van de jaren negentig hadden daar een handigheid in: ze nodigden je uit om te blijven zonder er ooit iets voor te vragen.

Café de Jaren als blauwdruk voor een generatie

In 1984 opende aan de Nieuwe Doelenstraat in Amsterdam een café dat het grand café-concept opnieuw uitvond voor een Nederlandse generatie die er nog niet van wist dat ze het nodig had. Café de Jaren was groter dan normaal, hoger dan normaal en lichter dan normaal. Waar andere bruine kroegen hun duisternis koesterden als een soort bescherming, koos dit pand bewust voor grote ramen, een terras aan het water en twee verdiepingen met uitzicht. Het was geen café waar je je verstopte. Het was een café waar je gezien wilde worden, ook als je deed alsof je dat niet wilde.

De marmeren toog was het eerste dat mensen noemden als ze het beschreven. Niet vanwege de luxe, maar vanwege de houding die hij eiste. Je leunde er anders tegen aan dan tegen een houten bar. Rechtop, een beetje losjes, alsof je daar al uren stond en er nog uren zou blijven. De barkrukken stonden net ver genoeg uit elkaar om een gesprek met een onbekende mogelijk te maken zonder hem op te leggen.

De concurrent om de hoek

Op een paar minuten lopen, op het Rembrandtplein, had je Café Schiller. Waar De Jaren groot en licht was, was Schiller intiem en donker in de beste zin van het woord. Art-deco spiegels die het licht terugkaatsten in gouden vlakken, houten lambrisering die geluiden absorbeerde en een sfeer die schreeuwde om een manuscript of een notitieboekje. Schrijvers lieten er inderdaad hun papieren liggen, soms onopzettelijk, soms strategisch zichtbaar op tafel. Het was het soort café dat zijn eigen mythe actief cultiveerde, en de vaste gasten deden vrolijk mee.

Beide cafés boden iets wat je nu bijna niet meer vindt: een interieur als sociaal contract. De hoge plafonds betekenden dat gesprekken niet gedempter hoefden te zijn, maar ook niet schreeuwerig werden. De kranten aan stokken bij de ingang zeiden: je mag hier zitten zonder iets te bestellen in de eerste tien minuten. De tafels zonder reservering betekenden dat je naast iemand kon belanden die je niet kende en er drie uur later weg kon lopen met een telefoonnummer of een boektip of allebei.

Amsterdam was niet alleen

Het zou te makkelijk zijn om dit als een Amsterdams fenomeen af te doen. Rotterdam had Witte de With, een straat die zichzelf in de loop van de jaren negentig uitvond als culturele as met cafés die de grens tussen galerie, kroeg en debatpodium bewust lieten vervagen. Groningen had De Drie Gezusters, een historisch pand op de Grote Markt dat studenten en stamgasten door elkaar gooide op een manier die je alleen in steden met een grote universiteit aantreft. En de Beurs van Berlage in Amsterdam leverde ruimtes op die zo imposant waren dat je automatisch zachter ging praten, ook als de muziek harder stond.

Elk van die plekken had zijn eigen mythologie, zijn eigen stamgasten en zijn eigen versie van het ongeschreven reglement. Maar de kern was hetzelfde: een ruimte die groot genoeg was om anoniem in te zijn, maar klein genoeg in haar rituelen om er bij te horen.

De jukebox-politiek

Dan was er de jukebox. In de cafés die hem hadden, was de keuze nooit willekeurig. De samenstelling van de platen was een kleine ideologische verklaring van de eigenaar of de vaste barman: The Blue Nile naast André Hazes, een plaat van Boudewijn de Groot gevolgd door iets van Nick Cave. Het was een mix die zei dat je hier geen snobs ontving maar ook geen mensen die niet wisten wie The Blue Nile was. Wie mocht kiezen, bepaalde de sfeer van een half uur. Dat gaf de jukebox een sociale lading die een playlist nooit helemaal kan evenaren, want niemand keek je aan als je Spotify bediende.

Bitterballen als tijdsindicator

Om vijf uur kwamen de bitterballen. Niet eerder, zelden later. Die timing was geen toeval maar een ongeschreven wet die de overgang markeerde van de middag naar de avond, van de toevallige gast naar de bewuste bezoeker. Je bestelde ze met een gebaar dat zei: ik ga nog niet weg, ik ga er juist goed voor zitten. De vaste stamgasten keken even op van hun krant als het bord de tafel raakte. Niet afkeurend, maar bevestigend. De dag was officieel voorbij.

Die stamgasten waren een instelling op zichzelf. Ze hadden geen officiële functie, niemand had hen gevraagd er elke dag te zitten, maar hun aanwezigheid garandeerde een bepaalde sfeer op een manier die geen personeelshandboek kon vastleggen. Ze wisten welke barman je koffie beter kon laten staan en welke je gerust om een tweede kon vragen zonder te bestellen. Ze knikten naar nieuwe gezichten op een manier die niet uitnodigde maar ook niet afwees. Dat was de kunst.

Wat er veranderde en wanneer

Het rookverbod in 2008 was een breukpunt, niet alleen letterlijk maar ook symbolisch. Ineens rook het anders, en niet alleen beter. De geur die de sfeer droeg verdween mee, en voor veel stamgasten verdween er iets met de geur. Daarna kwamen de wifi-wachtwoorden, de specialty coffee bars die hun eigen rituelen en eigen stamgasten meebrachten, en de opkomst van het begrip ‘gezellig’ als merkstrategie. Plotseling stond er op websites beschreven hoe gezellig een café was, met foto’s van aardewerken kannen en krijtbordmenu’s. Dat is het moment waarop gezelligheid ophoudt een ervaring te zijn en een belofte wordt. En beloftes moet je altijd wantrouwen.

Café de Jaren nu: wat er nog over is

Café de Jaren bestaat nog steeds. De marmeren toog staat er nog, de ramen zijn nog steeds groot, het terras kijkt nog steeds uit op het water. En terugkerende bezoekers, mensen die er in de jaren negentig kwamen als student of net-afgestudeerde, merken soms iets op dat ze nergens anders meer aantreffen: dat het interieur niet probeert een gevoel te verkopen maar gewoon aanwezig is. Geen gecureerde nostalgie, geen vintage meubilair als decorstuk. Gewoon een ruimte die lang genoeg heeft bestaan om zijn eigen reden van bestaan te zijn.

Dat is ook wat deze cafés onderscheidde van alles wat erna kwam. Ze hadden niet besloten wat voor plek ze waren op basis van een doelgroepanalyse. Ze waren er gewoon, groot en een beetje onbewogen, en de mensen die er kwamen, maakten er iets van. Soms een gesprek, soms een middagje niets doen, soms de beste vier uur van een week die verder niet veel voorstelde. En dat, uiteindelijk, is het beste wat een café je kan geven.

De meeste van deze cafés bestaan nog, al ziet de binnenkomst er anders uit dan dertig jaar geleden: geen rooklucht, andere muziek, andere gezichten. Wat ze destijds bijzonder maakte, had minder met het interieur te maken dan met wat er sociaal mogelijk was: een ongestructureerde middag in een ruimte die daarvoor werd ingericht. Café de Jaren en de andere grote namen uit die tijd waren daar gewoon goed in.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *