Historisch art-deco buitenbad met betonnen duiktoren en gestreepte kleedcabines uit de jaren dertig Historisch art-deco buitenbad met betonnen duiktoren en gestreepte kleedcabines uit de jaren dertig

Verloren badparadijzen: de verdwenen art-deco buitenbaden die Nederland vergat

Je zoekt een buitenbad op in een willekeurige Nederlandse provinciestad en vindt een parkeerterrein. Geen plaquette, geen vermelding op de gemeentelijke erfgoedlijst. Alleen asfalt op de plek waar ooit een art-deco entreepaviljoen stond met witte gepleisterde wanden en ronde vormen die aan een oceaanstomer deden denken. De duiktoren is weg, de kleedcabines zijn weg, de krijtstreepjes op het tegelvloertje zijn weg. In de archieven van veel gemeenten is zelfs de bouwtekening niet meer te vinden.

Dit artikel gaat over die baden: gebouwd in de jaren dertig als belofte van een toegankelijk en gezond stadsleven, en later gesloopt zonder dat iemand goed bijhield wat er verdween.

De zomer van beton en ambitie

De jaren dertig waren voor Nederlandse gemeenten een merkwaardige periode, net als in veel andere contexten van Nederlands dagelijks leven. De economische crisis brak sociale vangnetten af, maar tegelijkertijd floreerde een ideaal: het volksgezondheidideaal. Zwemmen was geen luxe, het was hygiëne. Het was deugd. Het was moderniteit. En moderniteit had een gezicht, namelijk art-deco.

Tussen pakweg 1928 en 1940 verrezen er in tientallen Nederlandse steden en grotere dorpen openluchtbaden die architectonisch niet onderdeden voor bankgebouwen of postkantoren. Ze waren bedoeld als visitekaartje. De gemeente die een goed bad had, toonde dat ze haar inwoners serieus nam. Architecten kregen opdrachten mee die ze met trots uitvoerden. Het resultaat was een generatie buitenbaden die er stuk voor stuk anders uitzag, maar altijd dezelfde taal sprak: optimisme in gelaagde baksteenstroken, ronde hoeken, kleur als accent.

Anatomie van een verdwenen bad

Elk openluchtbad van die generatie had een eigen logica, maar de onderdelen kwamen telkens terug. Het entreepaviljoen was de eerste indruk, en architecten behandelden het serieus. Niet zomaar een hokje om kaartjes te kopen, maar een gebouw met een uitgesproken gevel, soms met reliëf, soms met een luifel op slanke ronde kolommen.

Achter het entreepaviljoen lagen de kleedcabines in rijen of halfronde blokken, gestapeld of gelijkvloers, altijd met die typische horizontale lijnen die het geheel optisch lieten zweven. De cabinedeurtjes waren smal en hoog, de wanden dun genoeg om er kinderstemmen doorheen te horen. En dan: de duiktoren. Die was geen toeval. De duiktoren was het landmark, het silhouet dat op ansichtkaarten belandde en dat je van verre kon zien als je met de fiets aankwam. Hij stond er niet alleen om van te duiken. Hij stond er om te zeggen: hier is iets bijzonders.

De bassins zelf hadden afgeronde hoeken, een detail dat je pas opmerkt als je het kent. Rechte hoeken leken te industrieel, te kil. Afgeronde hoeken pasten bij het idee van een plek waar je tot rust mocht komen. Het water was bijna altijd groenig, het beton altijd iets ruwer dan het er op tekening uitzag, maar dat maakte deel uit van de charme.

De grote namen die tekenden

Wie tekende die baden? Soms waren het gemeentelijke diensten zonder een bekende handtekening, soms stadsbouwkundigen die ook scholen en bibliotheken onder hun hoede hadden. In een paar gevallen waren het architecten die verder doorgingen in de canon van de Nederlandse modernistische architectuur, maar wier buitenbaden nooit de aandacht kregen die hun andere werk wél kreeg.

De Delftse School en het functionalisme leefden naast elkaar. Sommige gemeenten kozen bewust voor een strakker, bijna Bauhaus-achtig ontwerp. Andere hielden vast aan een meer decoratieve taal, met terracotta tegels en gestuukte ornamenten. Die variatie is precies wat het verlies zo pijnlijk maakt: er was geen standaard. Elk bad was een lokale interpretatie van een gedeeld ideaal.

Fotogalerij in woorden: vijf verdwenen baden

Het bad in Deventer aan de Singel werd geopend in 1932 en had een entreepaviljoen met een halfronde luifel op witte betonnen kolommen. Het grote bassin lag lager dan het maaiveld, omgeven door grasvelden met houten ligbedden. In 1974 werd het gesloopt nadat het nieuwe overdekte zwembad in gebruik was genomen. Geen foto in het gemeentearchief die de gevel volledig toont.

Tilburg kende een bad aan de rand van het Wilhelminapark, gebouwd in 1935 met een uitgesproken bakstenen entreefront in stroken van rood en crème. De duiktoren had drie platforms. In de zomer van 1971 werd er voor het laatste gezwommen; het jaar erop was de toren al weg. Een luchtfoto uit 1969 is het laatste bewijs van de plattegrond.

In Leeuwarden stond een bad dat opviel door zijn kleedcabineblok in de vorm van een lichte boog rondom het bassin. De bakstenen waren lichtgeel, de details in blauw geschilderd hout. Het complex werd in 1968 verkocht en maakte plaats voor een woonwijk. Een handvol privéfoto’s, bewaard door een oud-badmeester, zijn nu de voornaamste bewijslast.

Nijmegen had een bad met een apart zonneweide-gedeelte, omgeven door een lage muur met ventilatiegleuven in geometrische patronen. Het werd in 1977 gesloopt. Pas later ontdekte een lokale heemkundige dat de architect ook een postkantoor in de binnenstad had ontworpen, wat hem inmiddels wel monumentstatus heeft.

Het bad in Enschede dateert uit 1930 en was een van de vroegste voorbeelden. Het entreepaviljoen was sober maar imposant, met een plat dak en een opschrift in uitgespaarde letters: GEMEENTELIJK ZWEMBAD. In 1969 sloot het de deuren. Het gebouw stond er daarna nog tien jaar leeg voor de sloop, lang genoeg voor scholieren om er illegaal in te klimmen, maar niet lang genoeg voor iemand met een fotocamera om het systematisch vast te leggen.

Wat de sloopgolf dreef

De redenen voor sloop waren bijna altijd een combinatie van vier factoren. Subsidiekortingen van rijks- en provinciezijde maakten groot onderhoud onbetaalbaar. Het binnenzwembad-offensief van de jaren zestig en zeventig, mede gefinancierd door rijksbijdragen, maakte het openluchtbad bestuurlijk overbodig. De onderhoudskosten van oud beton, van leidingwerk en van de installaties liepen op. En hygiënenormen werden aangescherpt op een manier die oudere bassins structureel te duur maakten om aan te passen.

Sloop was goedkoper dan verbouwen. En niemand vroeg zich hardop af of er iets verloren ging.

De overlevenden

Een klein aantal art-deco buitenbaden heeft het overleefd. Het Bosbad Hoeven in Noord-Brabant heeft nog elementen van het oorspronkelijke ontwerp. In Gouda zijn resten van het entreepaviljoen van het vroegere Julianapark-bad ingepast in een later gebouw. Het Openluchtbad Brediusweg in Gouda heeft inmiddels een gemeentelijke monumentstatus, zij het pas toegekend nadat er publieke druk ontstond.

De overlevenden zijn de uitzondering. En hun monumentstatus is zelden vanzelfsprekend geweest.

Vergelijkingspunt over de grens

In het Verenigd Koninkrijk worden lido’s gerestaureerd met crowdfunding en gemeentelijke subsidies. Het Brockwell Lido in Londen werd in de jaren negentig gered door buurtbewoners en draait nu als een gewaardeerde publieke voorziening. In Duitsland heeft een aantal stadsbaden uit de Weimartijd beschermde status gekregen, precies omdat ze als uitdrukking van de Neue Sachlichkeit werden herkend. In België zijn een aantal openluchtbaden herbestemd tot culturele centra, waarbij de architectonische schil bewaard bleef.

In Nederland werd gebruiksarchitectuur voor volkssport structureel lager beoordeeld dan kerken, raadhurzen of bankgebouwen. De redenering was simpel: als het gebouw zijn functie verliest, verliest het zijn bestaansrecht. Dat criterium staat nu langzaam ter discussie, maar de meeste badparadijzen hebben die discussie niet overleefd.

Wat er nog te redden valt

Er zijn lopende initiatieven. Sommige gemeenten onderzoeken herbestemming van nog bestaande of deels gesloopte badcomplexen als horecalocatie, cultuurpodium of zelfs woongebouw. De vraag die daarbij altijd opkomt: hoeveel van het origineel moet bewaard blijven om nog over erfgoed te kunnen spreken?

Het antwoord is niet eenvoudig, maar de richting is duidelijk. Een duiktoren die blijft staan, een entreepaviljoen dat zijn gevel houdt, een bassinrand die zichtbaar blijft in het nieuwe ontwerp, dat zijn ankers. Ze houden de herinnering vast. Zonder die ankers is herbestemming sloop met een ander tempo.

Het gat in het geheugen

Waarom werden deze gebouwen zo slecht gedocumenteerd? Deels omdat ze gewoon waren. Te gewoon. Iedereen kende het plaatselijke bad, niemand dacht dat het zou verdwijnen. Gemeentelijke archieven bewaarden bouwtekeningen, soms. Foto’s van de gevel, zelden. Foto’s van de kleedcabines of de duiktoren van dichtbij, bijna nooit.

De voornaamste bewijslast zit nu in privéfoto’s van gezinsvakantiedagen, in luchtfoto’s van de Topografische Dienst, in lokale krantenfoto’s bij de opening of de sluiting. Het zijn allemaal scherven. Wie de verdwenen buitenbaden van Nederland wil reconstrueren, werkt als een archeoloog, maar dan met fotoalbums in plaats van scherven aardewerk, niet ongelijk aan hoe we zomervakantieherinneringen uit vroeger samen moeten stellen.

De art-deco buitenbaden waren geen decoratie aan de rand van de stad. Ze waren publieke architectuur met een uitgesproken bedoeling: laat zien dat de overheid haar burgers een gezond en mooi leven gunt, voor arbeider en kantoorbediende gelijkelijk. Die bedoeling is grotendeels weggebroken, bad voor bad, zonder inventarisatie en zonder bezwaar.

De baden die nog openstaan verdienen nu een eerlijkere beoordeling dan hun gesloopte voorgangers kregen. Gebruiksarchitectuur voor iedereen is ook erfgoed. Wacht niet tot het parkeerterrein er al ligt.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *