Een oude stripplanche met handgetekende lijnen en inkt, zoals die in een klassiek Nederlands stripstudio gemaakt werd Een oude stripplanche met handgetekende lijnen en inkt, zoals die in een klassiek Nederlands stripstudio gemaakt werd

Hoe Marten Toonder zijn stripverhalen maakte: het creatieve proces achter Bommel en Tom Poes

Elke ochtend liep Marten Toonder door Amsterdam voordat hij ook maar één woord had opgeschreven. Hij mompelde zinnen, draaide om, liep terug. Geen notitieboekje, geen telefoon, alleen de klinkers en zijn eigen hoofd. Zo begon elk nieuw avontuur van Olivier B. Bommel en Tom Poes, nog voor een medewerker van het Toonder Atelier een penseel had aangeraakt. Wie begrijpt hoe die wandeling uitliep op een compleet stripverhaal, begrijpt ook waarom de werkwijze van Toonder zo anders was dan alles wat zijn tijdgenoten deden.

Eerst lopen, dan schrijven

Toonder geloofde heilig in beweging als denkgereedschap. Hij ‘liep’ zijn verhalen voor hij ze schreef, letterlijk. Niet als hobby of als gezondheidsritueel, maar als onderdeel van het creatieve proces. In de wandeling kwamen personages tot leven, kwamen zinnen vanzelf naar boven, vond hij de toon van een scène. Wie denkt dat strips maken begint bij het tekenbord, begrijpt Toonder niet. Bij hem begon het op straat.

Het woord gaat voor het beeld

Dit is het meest opmerkelijke aan Toonders aanpak: hij schreef zijn verhalen volledig uit als proza, voordat er ook maar één streep werd gezet. Geen ruwe synopsis, geen losse scènes. Een volwaardig verhaal, inclusief dialogen, beschrijvingen en sfeer. Daarna pas ging het naar de tekenaars van het atelier, die de beelden daarbij maakten.

Dat klinkt misschien logisch, maar in de stripwereld is het ronduit uitzonderlijk. De meeste strips ontstaan in wisselwerking: woordje, prentje, woordje, prentje. Toonder draaide die volgorde radicaal om. Zijn verhalen waren in de kern romans, toevallig verschenen in strips. Geen wonder dat critici als Harry Mulisch hem serieus namen als schrijver.

Het Toonder Atelier: een fabriek met één hoofd

Het atelier aan de Keizersgracht en later elders in Amsterdam was een echte werkplaats met een duidelijke hiërarchie. Toonder schreef de teksten en bedacht de verhalen. Andere tekenaars, onder wie getalenteerde krachten die jarenlang trouw meewerkten, verzorgden het grootste deel van het tekenwerk. Toonder zelf tekende in latere jaren nauwelijks meer mee, maar controleerde elk resultaat scherp op sfeer en consistentie.

Toch was het geen koud productiebedrijf. Toonder had oog voor zijn mensen en het atelier had iets van een ambachtelijke werkplaats uit een vorige eeuw, precies de sfeer die hij ook in zijn verhalen opriep. De stijl was herkenbaar als één geheel, ook al werkten er meerdere handen aan. Dat zegt alles over zijn regie.

Waar de verhalen vandaan kwamen

Toonder was een aandachtige waarnemer. Hij haatte bureaucratie, zag met lede ogen hoe regelzucht en conformisme de naoorlogse samenleving doordrongen, en ergerde zich vrolijk aan zelfgenoegzame gezagsdragers. Die ergernissen werden verhalen. Dorknoper, de gemeentesecretaris van Rommeldam met zijn formulieren en zijn ‘Toedeledoki’, was geen fictief figuur maar een karikatuur van een heel systeem. De Kwade Pier, de Sorgeleider, de talloze schurken die Bommel het leven zuur maakten: stuk voor stuk portretten van maatschappelijke types die Toonder om zich heen zag.

Hij omzeilde censuur of weerstand simpelweg door de fabel als vehikel te gebruiken. Als pratende dieren in een sprookjesachtig Rommeldam dezelfde dingen zeggen die een politiek columnist zou zeggen, klinkt het minder bedreigend maar komt het des te harder aan. Dat was geen naïviteit, dat was strategie.

Taal als handelsmerk

De taal in de Bommelverhalen is onmogelijk te imiteren zonder het origineel te verraden. Toonder gebruikte archaïsmen (‘hetwelk’, ‘mitsdien’), smeedde nieuwe woorden (‘weldenkend’, ‘knabbelsteen’) en koos bewust voor een register dat nét iets te formeel was voor de situatie. Het effect is komisch én distantie scheppend: alsof personages in een negentiende-eeuwse roman gevangen zitten maar zelf niet weten dat de wereld veranderd is.

Bommel spreekt altijd met de grandeur van een heer van stand, ook als hij zich op het ergst vergist. Dat contrast, tussen taalgebruik en situatie, is de motor achter veel van de humor. En die taal bouwde Toonder bewust op, over decennia, met consistentie die weinig schrijvers opbrengen.

Bommel verliest altijd, en toch houd je van hem

De dramaturgische keuze achter Olivier B. Bommel is briljant in zijn eenvoud: de held wint nooit echt. Hij begint elk verhaal zelfverzekerd, raakt verstrikt in zijn eigen trots of naïviteit, wordt gered of glipt ternauwernood weg, en keert terug naar zijn kasteel alsof er niets gebeurd is. Dat patroon herhaalt zich tientallen jaren lang.

Toch, of juist daardoor, is Bommel geliefd. Hij is feilbaar op een manier die herkenbaar is. Zijn tekortkomingen zijn universeel: ijdelheid, gemakzucht, de neiging om problemen te negeren tot ze niet meer te negeren zijn. Toonder tekende geen held, maar een mens in bontjas. En Tom Poes, de bescheiden kat die steeds de situatie redt en steeds de eer aan Bommel laat, is de stille verteller die het publiek begrijpt wat Bommel zelf niet ziet.

Rommeldam als vrijheid door herhaling

De vaste elementen in de Bommelverhalen, Rommeldam, Huize de Schrikkenberg, Dorknoper achter zijn loket, de Marquis de Canteclaer met zijn onuitputtelijke zelfgenoegzaamheid, zijn geen gemakzucht. Ze zijn fundament. Omdat de lezer die wereld kent, kan Toonder er vrijuit op variëren. Het is hetzelfde principe als een jazzstandaard: de bekende structuur maakt de improvisatie erop mogelijk.

Wat er verloren gaat buiten Nederland

Vertaalpogingen van de Bommelverhalen zijn er geweest, maar de internationale doorbraak bleef uit. Dat is geen toeval. De taal is het product, niet alleen het vehikel. Wie Toonders neologismen vertaalt, verliest de laag die ze komisch maakt. Wie de archaïsmen weglaat om ze toegankelijker te maken, verliest de ironie. Wat overblijft is een onderhoudend dierenstrip, niet de literaire constructie die het in het Nederlands is. Dat zegt misschien meer over de diepte van zijn methode dan elk ander compliment.

De erfenis die doorwerkt

Nederlandse stripmakers en schrijvers die vandaag werken, kennen Toonder. Sommigen bewust, als invloed die ze benoemen. Anderen onbewust, in de manier waarop ze taal en beeld combineren, in de keuze voor fabel als maatschappijkritiek, in het vertrouwen dat een strip meer kan zijn dan entertainment. De Marten Toonder werkwijze stripverhalen was nooit een recept dat je kon kopiëren. Het was een manier van kijken, wandelen en denken die toevallig ook strips opleverde.

Het Toonder Atelier was een merkwaardige constructie: een schrijver die wandelend dicteerde, tekenaars die zijn wereld uitbouwden, en een hoofdredacteur die elke week op tijd wilde leveren. Dat het zo lang werkte, had alles te maken met de vaste kern van Rommeldam. Dezelfde figuren, dezelfde spanning tussen grootheidswaanzin en mislukking, dezelfde taal die nergens anders vandaan kon komen. Wie de verhalen nu leest, merkt dat die stevige structuur ze heeft overleefd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *