Je vader vraagt of je de riem wil vasthouden terwijl hij betaalt. De man bij de steiger schrijft iets op in een schriftje, geeft een oranje reddingsvest aan dat naar rubber ruikt, en dan mag je instappen. De boot schommelt. Ergens op de achterbank van de auto lag al die ochtend een thermosfles klaar, en nu drijven jullie langzaam weg van de kant. Voor veel Nederlandse gezinnen was dit, ergens in de jaren zeventig, tachtig of negentig, de hele vakantie in één middag samengevat: een gehuurde sloep of roeiboot, een paar uur water, en verder niets geregeld.
De geografie van het plezier
Niet elk water was geschikt voor het ritueel. Er waren plekken in Nederland die het bootje-huren-gevoel als het ware in hun oevers hadden ingebakken. De Loosdrechtse Plassen waren zo’n plek: breed genoeg om je klein te voelen, maar beschut genoeg om niet echt in de problemen te komen. De Friese meren trokken gezinnen die een week campeerden en iedere middag iets anders wilden dan een luchtbedje. De Biesbosch rook naar riet en modder en avontuur. En de Amsterdamse grachten hadden hun eigen soort verhuurders, weggestopt tussen een fietsenmaker en een broodjeszaak, met een vloot van zes bootjes en een krijtbord waarop de prijzen stonden.
Wat deze plekken gemeen hadden: ze waren bereikbaar per fiets of per auto, er was altijd een ijskraam in de buurt, en de afstanden op het water waren net groot genoeg om een middag te vullen zonder dat het een expeditie werd. Sloep huren in vroeger Nederland was zelden een geplande activiteit. Het overkwam je, halverwege een fietstocht, als je vader de auto aan de kant zette en zei: ‘Kijk eens, bootjes.’
De man in de blauwe overall
Hij stond er altijd al. Dat leek tenminste zo. Een man van onbestemde leeftijd, een jaar of vijftig misschien, in een blauwe of groene overall met vlekken die niet meer weggingen. Zijn kassa was een oud kofferblik of een leren buideltje aan zijn riem. Hij telde het geld met dikke vingers en gaf geen bonnetje.
Zijn gezag was totaal, maar onuitgesproken. Hij wees je het bootje aan, hij gaf je de riemen aan, en hij zei twee dingen: ‘Terug voor vijf’ en ‘Niet staan.’ Dat was de instructie. Verdere uitleg volgde niet, want verdere uitleg was niet nodig. Hij had in één blik gezien of jij ooit een riem had vastgehouden. Als dat niet zo was, zei hij niets. Hij wist dat je het vanzelf zou leren, of in ieder geval dat je niet ver genoeg van de steiger af zou komen om echt schade aan te richten.
Dit beroep bestaat niet meer, niet op die manier. De man in de overall is vervangen door een tablet aan een toonbank, een QR-code op een bord, of een medewerker van een recreatiebedrijf die ook de kano’s verhuurt en de stand-up paddleboards. Het is niet slecht, maar het is anders. De autoriteit over het water is verdwenen samen met het kofferblik.
Inventaris van de vloot
De roeiboot was het standaardmodel. Hout, verfblaadjes op de zijkant die je er halverwege de middag met je nagel af peuterde, en altijd een klein laagje water op de bodem. Waarvandaan dat water kwam, was onduidelijk. Je voeten werden nat. Dat hoorde erbij.
De pedaalboot was de luxe-optie, duurder per uur en altijd in een feller kleur, rood of geel. Gezinnen met jonge kinderen kozen hem omdat trappen veiliger leek dan roeien. Het was ook langzamer en uitputtender dan het eruitzag, maar dat ontdekte je pas op het water.
En dan was er de sloep met het buitenboordmotortje. Twee of vier pk, een touw om hem te starten dat je drie keer moest trekken voordat er iets gebeurde. Dit was het statussymbool van de vloot. Gezinnen die de sloep kozen, hadden altijd een vader die deed alsof hij wist wat hij deed. Het motorgeluid, een tuttelend gerochel dat over het water droeg, maakte je als negenjarige compleet gelukkig.
Stap voor stap: het ritueel
Het begon bij de onderhandeling, hoewel dat het grote woord was voor een gesprek van twintig seconden. ‘Twee uur?’ ‘Twee uur.’ Geld werd gewisseld. Dan de instap, het moment waarop het bootje alle kanten op leek te wiebelen behalve de kant die je wilde. Iemand greep de steiger vast. Iemand anders schreeuwde.
De eerste meter van de steiger af was altijd chaotisch. De riemen klapten tegen de romp, een geluid dat klinkt als een pistoolschot boven water. Niemand roeide in hetzelfde ritme. Het bootje draaide een kwartslagje, en de man in de overall keek toe zonder zijn gezichtsuitdrukking te veranderen. Dan vond je langzaam een ritme, of iets wat erop leek, en het open water trok je naar zich toe.
Op een gegeven moment meerde je aan bij een oeverstrookje dat van niemand leek te zijn. Boterhammen werden uitgedeeld, limonade ingeschonken uit een thermosfles. Achter de wilgen was het stil. Dit was de picknick die niemand van tevoren had gepland en die iedereen zich later het helderst herinnerde.
En dan: de bijna-aanvaring met een andere roeiboot, het kind dat een riem liet wegglippen en in paniek in het water keek, het motorbootje dat afsloeg op tweehonderd meter van de steiger en niet meer wilde starten. Elk gezin had zo’n moment. Het werd familiemythe.
Waarom het verdween
Er zijn meerdere redenen, en geen ervan is dramatisch op zichzelf. Veiligheidseisen werden strenger, en kleine verhuurders konden de administratie en de verzekeringen niet meer bijhouden. De houten vloten sleten en werden niet vervangen omdat nieuw hout duur is en kunststof bootjes geen sfeer hebben. Kleine familiebedrijfjes werden overgenomen door grotere recreatieondernemingen die ook fietsen verhuurden, suppen organiseerden en overnachtingen aanboden. Het bootje werd onderdeel van een pakket in plaats van een bestemming op zichzelf.
Georganiseerde watersport groeide tegelijkertijd: zeillessen, kanoverhuur met gids, vlotten die je zelf kon besturen. Het aanbod werd groter en professioneler, en daarin verdween de eenvoud van de man met het kofferblik en zijn zes gehavende roeiboten.
Wat er in augustus 2026 nog te vinden is
Er zijn nog plekken. In Giethoorn, bij de Loosdrechtse Plassen, langs de Vecht en op sommige Friese meren kun je nog steeds een roeibootje of een kleine sloep huren. Eerlijk gezegd is het niet helemaal hetzelfde. De prijzen staan op een digitaal bord, de zwemvesten zijn verplicht en uitgebreid voorgelegd, en er wordt gevraagd naar je telefoonnummer. Dat zijn geen slechte dingen. Maar de onhgecompliceerde transactie van een biljet en een handgebaar is verdwenen.
Wat wél blijft: het water zelf, de stilte zodra je vijftig meter van de oever bent, en het gevoel dat de middag plotseling alle kanten op kan. Dat is niet veranderd. Als je het zoekt, is het er nog.
Wat maakte het zo onvergetelijk
Was het het bootje? De geur van teer? De verfblaadjes op je handpalm? Misschien een beetje. Maar waarschijnlijk was het iets simpelers: niemand had een scherm. Je vader kon niet worden gebeld. Je moeder keek niet op haar horloge, want het horloge hing aan de jas in de auto. De middag was lang en leeg en van jullie, en er was niets om hem te vullen behalve het water, de riemen en elkaar.
Dat is de vraag die je zelf beantwoordt, als je dit leest met de herinnering al half bovengekomen: was het het bootje dat het bijzonder maakte, of was het de middag die gewoon lang mocht duren?
De meeste verhuurstekken uit die tijd zijn er niet meer. De schriftjes zijn weg, de mannen met de kofferblikken gestopt. Maar wie er als kind in zo’n boot heeft gezeten, weet nog precies hoe de riemen aanvoelden en hoe het water rook. Dat een gewone doordeweekse middag op een smal kanaal dat kon doen, zegt eigenlijk genoeg.