Op een doordeweekse marktdag stopt een man zijn kar, trekt een rood-wit gordijn recht en begint zonder aankondiging te roepen. Binnen twee minuten staan er twintig kinderen voor zijn houten kast. Zo werkte het, decennialang, in elke stad en elk dorp waar de rondreizende poppenkastspeler zijn Jan Klaassen meenam. Maar hoe bereikte één man met een draagbare kast eigenlijk heel Nederland?
De kist op de kar: een heel theater in een handkar
De rondreizende poppenkastspeler van vroeger reisde licht, maar slim. Zijn bezittingen pasten in een handkar of op de bagagedrager van een fiets: de houten speelbak, een rol stof voor de zijkanten, een paar planken als vloer en tientallen poppen in een kist. Alles was zo ontworpen dat één persoon de boel in twintig minuten kon opbouwen en daarna verdwijnen voordat de markt sloot.
De speelbak zelf was het hart van het systeem. De speler kroop eronder, stak zijn handen omhoog door een opening en bewoog de poppen op het kleine podium boven zijn hoofd. Wat het publiek zag was een miniaturetoneeltje met coulissen van geschilderd karton. Wat het publiek niet zag was een man in een nauwe houten doos, transpirend, geknield op een kleedje, met zijn armen omhoog alsof hij iets zweerbaads deed.
Jan Klaassen als held én herrieschopper
Jan Klaassen droeg altijd een puntige muts, had altijd een stok en verloor altijd zijn geduld. Dat was precies de bedoeling. Kinderen die voor het eerst een voorstelling zagen wisten binnen twee minuten wat ze konden verwachten: Jan zou ruzie zoeken, klappen uitdelen, Katrijn te slim af zijn, en uiteindelijk toch in de nesten raken. De volgorde was ritueel, bijna als een mis.
Katrijn was zijn vrouw, mopperend maar niet weerloos. De agent vertegenwoordigde het gezag, en werd dus altijd belachelijk gemaakt. De slager bracht worst mee die Jan vervolgens inpikte. En dan was er de duivel, het hoogtepunt van de voorstelling, die aan het einde door Jan zelf naar de hel werd geslagen. Het publiek juichte. Het was catharsis voor twee stuivers.
De routes die ze reden: kermissen, markten en tuinfeesten
Een doorgewinterde poppenkastspeler vroeger in Nederland had een circuit dat hij jaar na jaar herhaalde. De kermis was de grote inkomstenbron: een week lang spelen, meerdere voorstellingen per dag, een pet rondgaan na afloop. Groningen, Deventer, Utrecht, Bergen op Zoom. Elke stad had zijn eigen kermiskalender en de spelers kenden die kalender uit hun hoofd.
Markten waren een tussendoor: vaste weekmarkten in kleinere plaatsen waar de speler één middag stond en daarna doorreed. En dan waren er de particuliere opdrachten: een verjaardag in een Haagse tuin, een schoolfeest in Friesland, een parochiepicknick in Zeeland. Die laatste categorie was goed betaald maar onregelmatig. Je moest er via via over horen, via de pastoor of de onderwijzer.
Bekende namen: de dynastieën van het vak
Het vak werd doorgegeven binnen families. De naam Boogaart is een van de bekendste uit de Nederlandse poppenkasttraditie, maar er waren tientallen dynastieën die generaties lang hetzelfde circuit bereden. De vader leerde de zoon de bouwkunde van de kast, de kunst van de poppen en, misschien wel het belangrijkste, de routes. Want wie een vaste marktplaats verloor aan een concurrent, verloor inkomen voor het hele seizoen.
Sommige families hadden hun eigen vaste karakters die lichtjes afweken van de standaard Jan Klaassen. Een Limburgse variant heette soms anders, en de dialectkleur verschilde per regio. Maar de kern bleef herkenbaar: de opstandige man met de stok, de vrouw, het gezag en de duivel.
Het stemgeheim: de pivetta
Hoe maakte één man al die verschillende stemmen? Het antwoord is een klein, glibberig apparaatje dat de poppenkastspeler letterlijk in zijn mond hield: de pivetta, ook wel swazzle of praterstenen genoemd. Het is een fluitje van metaal en riet dat, geklemd achter de tanden, elke stem vervormt tot dat karakteristieke schelle geluid dat je van Jan Klaassen kent.
Het gebruik van de pivetta was een kwestie van jaren oefenen. Je moest ondertussen ook kunnen praten, bewegen en nadenken. Beginnende spelers verslikten zich er regelmatig in. Sommige oude bronnen vermelden dat spelers de pivetta zo goed beheersten dat ze er ook de stem van Katrijn mee konden moduleren, iets zachter, iets hoger, zodat het publiek twee verschillende personen hoorde terwijl er maar één man in de kist zat.
De verhalen die altijd terugkwamen
Een Jan Klaassen-voorstelling had een vaste dramaturgie, ook al leek het improviserend. De stok was het centrale wapen en symbool: Jan sloeg ermee op alles wat hem dwarszat, en dat was vrijwel alles. De slager bracht vlees dat Jan afpakte. De agent probeerde orde te scheppen en werd prompt bewusteloos geslagen. Katrijn schreeuwde, de baby huilde (een speciale kleine pop die Jan in de kast gooide), en aan het einde verscheen de duivel om Jan mee te nemen naar de hel.
Maar Jan won altijd. Hij sloeg de duivel terug. Dat was essentieel. Het publiek wilde zien dat de kleine man won van het kwaad, van het gezag, van de dood zelf. Dat is ook waarom volwassenen bleven kijken: in Jan Klaassen zaten verborgen lagen van sociale kritiek die kinderen niet zagen maar hun ouders wel degelijk voelden.
Publiek van alle leeftijden
De poppenkast was nooit uitsluitend voor kinderen. Op de kermis stonden boerenknechten, winkeliersters en gepensioneerden zij aan zij te lachen. Jan Klaassen maakte de agent belachelijk in een tijd dat je dat in het echte leven niet kon. Hij sloeg de pastoor of de notaris symbolisch weg. Hij weigerde te werken en kreeg er geen straf voor. Dat resoneerde.
Sommige spelers pasten hun grappen aan per publiek. Voor een Amsterdams arbeiderspubliek andere toon dan voor een Zeeuws boerenfeest. Het script was elastisch, maar de structuur stond als een huis.
Het einde van de gouden kermisperiode
Na de Tweede Wereldoorlog begon het circuit langzaam te eroderen. Bioscopen trokken publiek weg van de kermis, de radio bood thuis vermaak, en later deed de televisie de rest. Kermissen bleven bestaan maar veranderden van karakter: meer attracties, minder ambachtelijk vermaak. De poppenkastspeler werd een curiositeit in plaats van een vanzelfsprekend onderdeel van het straatbeeld.
In de jaren zestig en zeventig verdween het rondreizende circuit grotendeels. Wie nog speelde, deed dat op scholen of via gesubsidieerde cultuurprogramma’s. De spontane marktshow, betaald door een rondgaande pet, bestond nauwelijks meer.
Wat er overbleef
De traditie is niet dood, maar ze staat anders in de wereld. Het Internationaal Poppenkast Festival in Dordrecht trekt nog steeds bezoekers. Het Haags Historisch Museum bewaart oude poppen en speelbakken. En er zijn hedendaagse spelers die zich bewust in de traditie van de rondreizende poppenkastspeler plaatsen, soms met historische kostuums, soms met een moderne twist maar altijd met Jan Klaassens stok als middelpunt.
De echte erfenis zit misschien in iets anders: in het idee dat theater niet in een gebouw hoeft. Dat een man, een kist en twee handen genoeg zijn om een heel marktplein te betoveren. Dat Jan Klaassen na eeuwen nog steeds wint van de duivel. Dat is een formule die niet zo snel veroudert.
De rondreizende poppenkastspeler was vakman, acteur en ondernemer tegelijk, en hij deed dat werk grotendeels onzichtbaar voor wie geen kind was en geen markt bezocht. Dat Jan Klaassen overal hetzelfde bleef schreeuwen en mopperen was geen gebrek aan fantasie. Het was precies wat het publiek verwachtte, en waarom het telkens opnieuw bleef staan.