Je lag in je slaapzak en kon niet slapen. Niet van de warmte, niet van het gesnurk van je vader, maar van perceel 23. Drie percelen verderop stond een oranje tent met een blauwe voortent, en daarin sliep iemand waarvan je de achternaam niet wist, het telefoonnummer niet had en de stem amper had gehoord. Toch voelde het alsof je hele zomer aan dat ene perceel hing. Verliefd op de camping in de jaren 80: het was een eigen wereld, met eigen regels en een eigen tijdrekening.
Perceel 23 als middelpunt van het heelal
Een camping is eigenlijk een heel logische plek om verliefd te worden, als je er even over nadenkt. Alles is overzichtelijk, iedereen loopt dezelfde routes, en de sanitairgebouwen, het speelveldje en de snoepautomaat vormen samen een soort plattegrond van je hart. Je wist precies welke weg langs perceel 23 liep, en je liep die weg drie keer vaker dan strikt noodzakelijk was. Even naar de wc? Dan ging je de lange kant om. Brood halen bij het campingwinkeltje? Toevallig precies langs die blauwe voortent.
Die ruimtelijke logica gaf de campingverliefdheid iets wat verliefdheid op school nooit had: ritme en structuur. Je wist wanneer iemand naar de douches ging, je kende de tijden van het avondeten op het terrasje, je zag de fiets die altijd tegen dezelfde boom stond. Zonder afspraken te maken, had je al een soort dagschema opgebouwd. Dat was de stille taal van de camping.
Dag één tot drie: observeren als kunstvorm
De eerste drie dagen waren eigenlijk pure inlichtingendienst. Je schatte de leeftijd in (een jaar ouder of jonger maakte alles uit), telde broers en zussen (veel broers was een complicatie), en ontcijferde de kentekenplaat met de ernst van een cryptograaf. Een D betekende Duits en dus een taalbarrière, een F betekende Frans en dus ook, maar Utrecht of Noord-Holland was goud. Dan was er in ieder geval een gedeelde werkelijkheid.
En dan was er die blik. Die ene keer dat je allebei tegelijk opkeek van je boek of je bakje chips, en het net een fractie te lang duurde voor iemand wegkeek. Dat moment werd opgeslagen, herkauwd en grondig geanalyseerd met je campingvriendin uit Zeeland die je al drie jaar kende maar thuis nooit zag. Was het iets? Het was iets.
De taal van briefjes en boomschors
Communiceren zonder dat ouders het doorhadden was een vak apart. Je had geen mobiele telefoon, geen WhatsApp, geen DM. Wat je had was een velletje uit een schoolschrift, een beetje geduld en een tentharing die dienst deed als brievenbus. Een briefje vouwen tot een compacte rechthoek, vlug wegleggen terwijl je deet dat je toevallig voorbijliep, en dan drie uur wachten of er een reactie kwam: dat was spanning op zijn puurste.
Sommigen kozen voor een bericht gekrast in boomschors achter het sanitairgebouw, anderen hanteerden een primitief geheimschrift op een leeg sigarettendoosje dat van hand tot hand ging via een medeplichtige vriend. De schriftelijkheid zelf maakte het intenser. Je had nagedacht over elke zin, misschien wel vier versies geschreven voor je de definitieve versie had gevouwen. Dat briefje zei meer dan een maand thuisgepraat ooit had kunnen zeggen, juist omdat het zoveel moeite had gekost.
Dag tien: het afscheid dat je niet zag aankomen
En dan, plotseling, was het dag tien. Je had er niet op gelet, want tellen hoorde niet bij een zomer die aanvoelde alsof hij eeuwig kon duren. Maar op een ochtend stond je op en zag je de voortent al half opgerold. Er stond een auto met de kofferbak open. Er werden slaapzakken naar buiten gedragen.
Het sloeg in als een koude emmer water. Je had geen achternaam. Geen adres. Geen telefoonnummer. Je had een briefje en een herinnering aan een blik, en dat was alles wat je meenam. Het afscheid was onhandig en te kort, want ouders stonden erbij en niemand wist precies wat er eigenlijk was geweest. De auto reed weg, jij stond op de campingweg, en dat was het.
Het lange nakijken: een heel schooljaar onderweg
Maar de campingverliefdheid reisde mee naar huis. Het briefje ging in een sigarettendoosje, dat verdween achter in de la onder je sokken. Je oefende de handtekening na in de kantlijn van je schriften, een beetje stiekem, een beetje om te voelen of het echt was geweest. En op een avond in oktober haalde je de wegenatlas tevoorschijn, want je dacht een dorp te hebben opgevangen in een gesprek, ergens in Gelderland of misschien toch Overijssel, en je zocht het op zonder precies te weten waarom.
Die naijlende verliefdheid was niet triest, ook al voelde het soms zo. Het was eigenlijk een bewijs dat er iets echt was geweest. Een zomerse versie van jezelf had iemand ontmoet en was daardoor iemand anders geworden, al was het maar voor tien dagen.
Waarom het zo intens was
Verliefd op de camping in de jaren 80 was zo heftig omdat alle normale remmingen wegvielen. Op school wist iedereen wie je was, wie je vrienden waren, wat je cijfers waren en of je cool genoeg was om bij een bepaalde groep te horen. Op de camping bestond dat allemaal niet. Je was gewoon een naam, een tent, en iemand die langs perceel 23 liep.
Je kon een versie van jezelf zijn die thuis geen ruimte had. Stoerder, grappiger, losser. En de tijdelijkheid versterkte alles: omdat je wist dat het maar tien dagen duurde, durfde je meer. Geen gevolgen, geen roddels op maandag, geen gezichtsverlies. Alleen de zomer, de geur van gras en zonnebrandcrème en iemand die jou aankeek alsof je het middelpunt van het heelal was.
Het jaar erop: de hoop en de kans van één op tien
En dan was er het volgende jaar. De camping was dezelfde, de snoepautomaat stond op z’n plek, het sanitairgebouw rook precies zoals je het had onthouden. Je liep naar het gedeelte waar vorig jaar perceel 23 had gelegen, en je keek.
Soms stond die blauwe tent er. Echt. En dat moment, dat herkennen van een tentkleur op twintig meter afstand, was misschien wel het mooiste gevoel dat een zomervakantie je kon geven. Soms stond er een grijs familiepaviljoen van onbekenden uit België, en dan slikte je even en liep door naar de snoepautomaat. Want ook dat hoorde erbij: de camping gaf, en de camping nam weer weg. Zo werkte het. Zo was het altijd geweest.
De campingverliefdheid van vroeger had iets wat latere, volwassen verliefdheid zelden meer heeft: die absolute reinheid van niet-weten. Geen achternaam, geen profiel om op te zoeken, geen foto’s om te scrollen. Alleen een briefje onder een tentharing en tien dagen die aanvoelden als een heel leven. Je weet nog precies hoe die voortent eruitzag. En ergens in een la, achter de sokken, zou het sigarettendoosje misschien nog steeds liggen.