Je buurman kwam terug van twee weken Costa Brava, opende zijn kofferbak, en tussen de slippers en de fles Sangria rolde er eentje uit: een lolly op een stokje met een wikkel die Salvador Dalí had ontworpen. Voor veel Nederlandse kinderen in de jaren tachtig was dat het eerste Chupa Chups dat ze ooit zagen. Niet gekocht in een winkel, want die waren er hier nauwelijks, maar meegesmokkeld als vakantietrofee. Hoe een Spaanse lolly van kofferruimtesouvenir uitgroeide tot kassastandaard in elke supermarkt: dit is dat verhaal.
Een revolutionair idee uit Barcelona
Het verhaal begint in 1958, in een fabriek in Barcelona. Enric Bernat, een Spaanse ondernemer met een hekel aan plakkerige kindervingers, bedacht iets simpels maar geniaal: stop een snoepje op een stokje, zodat kinderen het kunnen vasthouden zonder hun handen vol karamel te smeren. Hij noemde het Chupa Chups, een verbastering van het Spaanse werkwoord chuparzuigen. Het product sloeg meteen aan in Spanje. Maar buiten de Pyreneeën wist vooralsnog niemand van het bestaan.
Wat de lolly haar gezicht gaf, was een toeval van formaat. Begin jaren zestig vroeg Bernat zijn vriend Salvador Dalí om even snel een logo te ontwerpen. Dalí, de surrealist met de opgedraaide snor, schetsend aan een tafel in een Catalaans café, leverde binnen een uur het ronde, madeliefachtige embleem dat je nog steeds op elke wikkel ziet. Dat logo zette de lolly in een apart daglicht. Het was geen suikergoed meer, het was bijna kunst. Op schoolpleinen later, in de jaren tachtig, viel die wikkel op. Zelfs kinderen die geen idee hadden wie Dalí was, voelden instinctief dat er iets bijzonders aan die verpakking zat.
De kofferbak als importroute
Nederland ontdekte Chupa Chups niet via een grote marketingcampagne of een slimme distributeur. Het land ontdekte hem via de vakantie. Eind jaren zeventig begon de middenklasse Nederland massaal richting het zuiden te rijden, caravans achter Volvo-stationwagens, richting Spanje en Italië. En wie terugkwam uit Spanje, bracht wat mee. Een fles olijfolie. Een zak noten. Een sombrero voor op de kapstok. En dus: Chupa Chups.
Die eerste kennismaking verliep voor de meeste Nederlandse kinderen via een campingwinkel aan de Costa Brava of de Costa del Sol. Zo’n winkeltje met een tl-buis, een koelkast vol lokale frisdrank en een toonbank bezaaid met snoep dat je thuis nooit zag. De Chupa Chups lag er nonchalant bij, voor een paar peseta’s. Je kocht er een stuk of tien, propte ze diep in je weekendtas en bewaarde ze als souvenirs. Terug in Tilburg of Groningen werden ze uitgedeeld op het schoolplein met de kalmte van iemand die weet dat hij iets exclusiefs in handen heeft.
Schaarste als schoolpleinmacht
Het sociale gewicht van die lolly in de jaren tachtig valt moeilijk uit te leggen aan iemand die ermee is opgegroeid in een wereld van online bestellen en Jumbo-impulsrekken. Maar het was echt. Een Chupa Chups bezit in een klas die ze niet kende, betekende dat jij óf een gezin had dat naar Spanje kon, óf dat je zulke handige ouders had dat ze ze ergens hadden gevonden. Allebei waren statussymbolen op hun eigen manier.
Chupa Chups vroeger in Nederland draaide om die schaarste. De smaak, de kleur, het stokje: het was anders dan de Engelse drop of de Bossche bol. Het smaakte naar buiten. Naar de zon. Naar een land dat verder weg lag dan Zeeland.
Langzaam sijpelde de lolly ook de Nederlandse steden binnen via duty-free shops op Schiphol en een handvol toeristenwarenhuizen in Amsterdam en Rotterdam. Die hadden de smaak voor het internationale snoep opgepikt, en legden Chupa Chups naast Toblerone en Frisia-kaas als bewijs dat ze de wereld kenden. Voor een kind dat zijn ouders vergezelde op een dagtripje naar de stad, was zo’n winkeltje een openbaring.
De supermarkt maakt een einde aan de mythe
Begin jaren negentig gebeurde wat onvermijdelijk was: Albert Heijn en andere supermarkten namen Chupa Chups op in het schap. Ineens lag hij naast de Haribo zakjes en de repen Tony Chocolonely-voorloper. De lolly was bereikbaar geworden voor iedereen, en dat was goed, maar iets verdween er ook mee.
De kinderen die in de jaren tachtig hun eerste Chupa Chups hadden gekregen van een oom die terugkwam uit Benidorm, voelden het meteen. De lolly smaakte hetzelfde. Maar hij voelde anders. Hij was niet meer het bewijs van iets. Hij was gewoon snoep.
Dat is de wet van de nostalgie: zodra iets gewoon wordt, begint het te schitteren in de herinnering. De jaren tachtig-versie van Chupa Chups leeft voort als een beter product dan hij ooit was, simpelweg omdat hij moeilijk te krijgen was.
Waarom die geur nog altijd iets losmaakt
Er is iets merkwaardigs met geuren en smaken uit de kindertijd. Ruik je de cola-karamelsmaak van een Chupa Chups, dan schiet je brein naar een specifiek moment, niet naar een abstract gevoel van vroegah. De hitte van een kampeerplaats. Het geluid van een Walkman met bijna lege batterijen. De textuur van de wikkel tussen je vingers.
Psychologen noemen dit het Proust-effect: zintuiglijke herinneringen zijn sterker verankerd dan bewuste gedachten, juist omdat ze gekoppeld zijn aan momenten van emotionele intensiteit. En wat was er emotioneel intenser dan de eerste keer dat je iets proefde wat niemand anders in je klas kende?
De Chupa Chups was in die zin meer dan snoep. Hij was een bewijs van avontuur. Van een wereld buiten de Amstel, buiten de polders, buiten het bekende. Voor een generatie Nederlanders die opgroeide terwijl het buitenland steeds dichterbij kwam maar nog niet gewoon was, stond die lolly op een stokje symbool voor alles wat groter en kleurrijker was dan de eigen straat.
Dat Salvador Dalí het logo had gemaakt, maakte het achteraf alleen maar mooier. Al die kinderen die konden zuigen op een surrealistische schets, zonder het te weten.
Nu ligt de Chupa Chups gewoon naast de Mentos bij de Primera. Geen kofferbak nodig, geen campingwinkel in Catalonië. Wat ooit een object van verlangen was, is inmiddels een product dat je zonder nadenken meepakt bij de kassa. Dat de wikkel nog steeds op een ontwerp van Dalí teruggaat, weten de meeste kopers niet eens. Het hoeft ook niet. Een goede lolly verkoopt zichzelf.