Open kunstboek met surrealistische schilderijen op de pagina's Open kunstboek met surrealistische schilderijen op de pagina's

Surrealistisch en pop art-kunstenaars die je vroeger in schoolboeken tegenkwam

Je zit in de klas, een fotokopie voor je neus, het papier nog warm van de printer. Er staat een klok op die over een tafelrand druipt alsof hij van kaas is gemaakt. De juf vraagt wat je ervan vindt. Je weet het niet. Je weet helemaal niet wat je ervan moet vinden. Maar je blijft er wel naar kijken.

Zo maakten veel Nederlanders voor het eerst kennis met surrealisme en pop art. Niet in een museum, maar tussen de spellingsoefeningen door, op een schots en scheef gekopieerde bladzijde. Dit artikel haalt die kunstenaars terug en legt uit waarom ze zo onlosmakelijk verbonden zijn met die schooljaren.

De schoolboekklik: waarom Dalí en Warhol op je netvlies staan gebrand

Schoolboeken kiezen kunstenaars niet zomaar. Ze kiezen werk dat raak is, direct, een beetje schokkend voor een kinderbrein. Surrealisme en pop art zijn in dat opzicht goud. Ze zien er vreemd genoeg uit om je aandacht te grijpen, maar zijn tegelijk herkenbaar genoeg om geen complete verwarring te veroorzaken. Een klok ken je. Een soepblik ken je. Marilyn Monroe ken je misschien van de televisie bij je ouders. Dat de kunst daar iets mee doet, iets wat je niet goed kunt plaatsen, dat is precies de vonk die blijft.

Generaties basisschool- en middelbare scholieren groeiden op met dezelfde bladzijden. Als je nu met iemand van begin veertig praat over kunstles, gokken ze vrijwel altijd op dezelfde namen: Dalí, Magritte, Warhol. Dat is geen toeval. Het is een esthetisch erfgoed dat via het onderwijs werd doorgegeven, zonder dat iemand er echt bij stilstond hoe krachtig dat was.

Salvador Dalí: de smeltende klokken die de tijd stilzetten

Dalí was de showman van de surrealisten, en zijn werk leek bijna gemaakt voor het schoolboek. De persistentie van de herinnering uit 1931, met die slap neerhangend horloges in een droom-achtig Catalaans landschap, past op elke pagina en vraagt meteen om uitleg. Maar de uitleg maakt het alleen maar vreemder. Wat betekent een smeltende klok? Dat de tijd niet echt is? Dat dromen geen rekening houden met agenda’s?

Als kind vond je dat waarschijnlijk óf eng, óf geweldig, of allebei. Die slapende olifanten op de dunne steltjes, de vreemde figuren op het strand, de lobster telephone die hij letterlijk ontwierp als bruikbaar object: Dalí begreep dat beeld altijd sterker is dan tekst. Dat snapte je als tiende al, al kon je het toen nog niet zo verwoorden.

René Magritte: de man die je leerde twijfelen

Als Dalí de droom was, was Magritte de filosofische puzzel. Zijn La trahison des imagesde schildering van een pijp met daaronder de tekst “Ceci n’est pas une pipe”, bezorgde kunstleraren al decennialang een klasgesprek. Want het is een pijp. Maar het is ook geen pijp. En dat een kind van tien al voelt dat hier iets gek is, iets wat kietelt aan de rand van het begrip, is eigenlijk verbazingwekkend.

De man met de bolhoed, zijn gezicht verborgen achter een appel of een vogel, keek je vanuit het boek aan alsof hij een geheim bewaarde. Magritte schilderde alledaagse dingen en maakte ze vreemd door combinatie of context. Dat principe begrijp je als volwassene beter, maar de ongemakkelijkheid voelde je als kind al feilloos aan.

Frida Kahlo: het zelfportret dat recht in je ziel keek

Frida Kahlo was voor veel kinderen een andere soort schok. Niet de dromerige vervreemding van Dalí of de stille raadsels van Magritte, maar iets persoonlijkers en heftiger. Haar zelfportretten, met de doorlopende wenkbrauw, de bloemenkransen, de symbolen van pijn en kracht, hadden iets wat je niet kon wegkijken, zelfs niet als je er ongemakkelijk van werd.

Wat bijzonder is: zelfs zonder de achtergrond van haar leven te kennen, de ongelukken, de operaties, de turbulente relatie met Diego Rivera, voelde je als kind dat hier iemand iets echts uitschreeuwde via verf. Die emotionele directheid is precies waarom Kahlo in schoolboeken een vaste plek verdient. Ze leert kinderen dat kunst niet altijd mooi hoeft te zijn om iets te zeggen.

Max Ernst en Joan Miró: de namen in de marge

Ergens halverwege het hoofdstuk over het surrealisme stonden altijd namen die je minder goed onthoudt, maar die je als je ze nu terugziet meteen herkent. Max Ernst met zijn collage-technieken en vreemde vogelfiguren. Joan Miró met zijn snoepkleurige, biomorfe vormen die eruitzagen als kindertekenwerk, maar dan op een manier die je toch niet zelf kon maken.

Die twee waren de surrealisten die je pas later echt ontdekte, misschien via een tentoonstelling of een koffieboek bij iemand thuis. Ze zijn misschien wel de beste reden om als volwassene terug te keren naar deze kunststroming.

Andy Warhol: de pop art-pagina die ruzie veroorzaakte

En dan sloeg je de pagina om en was het ineens fel. Veertig Marilyns in felle kleuren naast elkaar. Een Campbell’s soepblik, groot afgedrukt. Warhol was de kunstenaar die in bijna elke klas dezelfde vraag opriep: maar is dit nou echt kunst?

Dat is geen slechte vraag voor een kind van twaalf. Het is eigenlijk een uitstekende vraag. Warhol nam bewust alledaagse, commerciële beelden en gaf ze de status van schilderij. Daarmee zette hij iedereen aan het denken over wat kunst is, wat consumentencultuur is en waarom het ene ding in een museum hangt en het andere in een supermarkt ligt. Zonder dat het zo werd uitgelegd, voelde je de prikkel al.

Roy Lichtenstein: de kunstenaar die je als kind het meest snapte

Lichtenstein was voor veel kinderen de toegankelijkste van allemaal. Stripfiguren. Grote gekleurde rastertjes. Vrouwen met uitroeptekens boven hun hoofd. Dat snapte je. Dat was herkenbaar. En juist daarin schuilde de subtiliteit die je als kind volledig miste: Lichtenstein maakte stripbeelden juist groter en serieuzer om te laten zien hoe oppervlakkig en gestandaardiseerd populaire cultuur is.

Als volwassene kijk je naar Whaam! of Drowning Girl en je ziet de ironie. Als kind zag je een coole tekening in een kunstboek. Allebei klopt.

Het schoolreisje naar het Stedelijk of het Van Abbemuseum

Voor een deel van de leerlingen bleef het bij het schoolboek. Maar er was ook het schoolreisje. Het Stedelijk Museum in Amsterdam of het Van Abbemuseum in Eindhoven waren decennialang de uitstapjes waarbij je voor het eerst een echt kunstwerk van dichtbij zag. En dat was anders. Heel anders.

Zo’n doek is groot. Veel groter dan je denkt. De verf heeft structuur, dikte, beslissingen die je kunt zien. Een reproductie in een boek is altijd een leugen, hoe goed ook. Het origineel is een aanwezigheid. Veel mensen beschrijven hun eerste museumdagje nog precies zo: dat ze niet wisten wat ze verwachtten, en dat het werk ze overviel.

Waarom surrealisme en pop art generaties blijven aanspreken

Er is een goede reden waarom juist deze kunstenaars generaties lang in schoolboeken staan. Hun werk is visueel sterk genoeg om zonder uitleg al iets te doen. Het roept vragen op in plaats van antwoorden te geven. Het is herkenbaar en tegelijk vreemd. En het sluit aan bij wat kinderen eigenlijk al de hele dag doen: dromen, fantaseren, dingen combineren die niet samen horen.

Surrealisme kunstenaars als Dalí, Magritte en Ernst werkten vanuit het onderbewuste. Dat is een grote term, maar het resultaat is simpel: hun beelden voelen bekendals iets wat je zelf ook al eens gedroomd hebt. En pop art is eigenlijk gewoon de wereld om je heen, maar dan met de luidste knop omhoog gedraaid. Beide benaderingen raken iets universeel.

Ze opnieuw ontdekken als volwassene

Het mooie van deze kunstenaars is dat ze meer geven naarmate je meer meebrengt. Als kind zag je de vorm. Nu zie je de context, de ironie, de biografie, de politieke lading. Het Stedelijk in Amsterdam heeft vaste collectiestukken van onder anderen Magritte en Mondriaan. Het Van Abbemuseum in Eindhoven bezit een omvangrijke collectie moderne kunst, waaronder werk van Lissitzky maar ook ruimte voor pop art-invloeden. En voor Frida Kahlo en Dalí zijn er regelmatig grote reizende tentoonstellingen in Nederland en België die de moeite waard zijn om te volgen.

Maar eerlijk gezegd: begin gewoon met het opzoeken van een werk waarvan je je herinnert dat het je als kind raakte. Zoek het groot op, lees er een artikel over, en kijk wat er nu in je omgaat. Je zult verrast zijn hoe veel er was wat je toen al zag, zonder te weten dat je het zag.

Die gekopieerde bladzijden deden iets wat veel duurder kunstonderwijs niet altijd lukt: ze lieten beelden achter die tientallen jaren later nog herkenbaar zijn. De surrealisten en pop art-kunstenaars die je destijds niet begreep, zijn inmiddels gewoon te bekijken, in musea, in boeken, en gratis online. Beter en groter dan op die grijze fotokopie.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *