Twee dagen voor vertrek lag de wegenatlas open op de keukentafel, naast een kop koffie die al koud was geworden. Iemand had met potlood een streep getrokken langs de A2, niet omdat dat de beste route was, maar omdat die streep er vorig jaar ook had gezeten. Vroeger was een autorit voorbereiden geen kwestie van even snel iets opzoeken. Het was een ritueel, met vaste objecten, vaste rollen en vaste discussies aan die tafel.
De keukentafel als kaartenkamer
Wie nu een route plant, tikt een adres in en luistert. Klaar. Maar vroeger begon een autorit dagen eerder, aan de keukentafel, met een stapel spullen die er heel vertrouwd uitzagen: de wegenatlas, een uitgedraaide routekaart van het ANWB-kantoor, misschien het rode Michelin-boekje, en een schrijfblok waarop de navigator alvast begon met noteren. Die voorbereiding was serieus werk. Niet als last, maar als onderdeel van de reis zelf.
De ANWB Kampioen als vooruitkijker
Maandelijks lag hij op de deurmat: de ANWB Kampioen. Een blad dat je niet weglegde na een kwartiertje bladeren, maar echt las. De rubriek over wegwerkzaamheden was goud waard, zeker in de zomer. Als er ergens op de A12 iets op de schop ging, stond dat in de Kampioen. Automobilisten knippen soms letterlijk stukken uit en plakten die in een schriftje. Het blad fungeerde als vooruitkijker: dit zijn de aandachtspunten, dit zijn alternatieve routes, hier moet je rekening mee houden. Nieuwsbrief avant la lettre, maar dan op papier en met een geur van drukinkten die je nu in geen enkel scherm terugvindt.
Het wegenkaartboek als huisraad
De ANWB-wegenatlas had een vaste plek. Bij sommige gezinnen in de auto, bij anderen in de boekenkast naast de telefoonboeken, bij weer anderen permanent op de bijrijdersstoel als een slapende passagier. De kleurcodering was aangeleerd, bijna instinctief: rood voor rijkswegen, geel voor provinciale wegen, wit voor de rest. Rijkswegen waren snel maar saai, provinciale wegen waren interessant maar onzeker. Die keuze maakten mensen bewust, op basis van de kaart.
En dan het vouwen. De atlas vouwde niet verkeerd, want je vouwde hem niet. Maar losse kaarten, die vouwde je verkeerd. Altijd. Het lukte niemand om een losse wegenkaart terug te krijgen in de originele staat. Die belandde gevouwen in een soort kreukelig kompromis achterin de handschoenenkast, waar hij jaar na jaar nog wat rommelige werd.
Het ANWB-kantoor: de routekaartservice
Dit verdient een eigen alinea, want het was echt bijzonder. Je stapte het ANWB-kantoor binnen, gaf je vertrekpunt en bestemming op, en een medewerker stelde voor jou een route samen. Geen standaardroute, maar een op maat gestippelde beschrijving, inclusief kilometertellerstand per afslag. “Na 14,3 km rechtsaf richting Apeldoorn.” Mensen reden er speciaal voor naar de stad. Het was een dienst waarvoor je lid moest zijn, en die lidmaatschapspas werd met enige trots getoond. De routekaartservice was het bewijs dat je serieus reisde.
Het Michelin-boekje: niet voor de sterren
De rode Michelin-gids staat nu bekend als hét restaurantboek voor fijnproevers. Maar de gewone automobilist gebruikte het rode boekje voor iets heel anders: benzinestations, campings, en eetgelegenheden langs de N-wegen. Vooral voor reizen naar Frankrijk of Belgie was het onmisbaar. Welke N-weg had een groot station? Waar kon je tanken na achten? Waar lag een camping die ook op zondag open was? De Michelin-ster was mooi, maar de campingdriehoek was nuttiger.
De uitgeschreven routebeschrijving
De navigator schreef de route op. Met de hand, in eigen afkortingen. “A2 ri. Utrecht, afrit 7, dan li richting Nieuwegein, na viaduct re.” Die briefjes waren soms nauwelijks leesbaar voor buitenstaanders, maar voor de schrijver volstrekt helder. Ze werden gevouwen tot een compacte strook en op het dashboard gelegd, naast de wegenatlas die open lag op de juiste pagina.
Als er een kopieermachine in huis was, of bij de werkgever, werd de routebeschrijving soms in meerdere exemplaren gemaakt. Eén voor de bestuurder, één voor de bijrijder, één als reservekopie voor het geval de eerste nat werd of wegwaaide bij een tankstopp. Dat klinkt overdreven. Het was gewoon slim.
Navigeren als aangeleerde vaardigheid
Kaartlezen leerde je niet op school, maar wel van je ouders. De bestuurder reed, de bijrijder navigeerde. Dat was de taakverdeling, en die was heilig, totdat er een afslag gemist werd. Dan begon het genre dat elke Nederlander kent: de autoruitdiscussie. “Ik zei toch links.” “Jij zei niks.” “Ik wees toch?” De kaart lag ondersteboven, of de navigator had de pagina omgeslagen net op het moment dat het er toe deed. Kinderen op de achterbank hielden wijselijk hun mond.
Maar eerlijk is eerlijk: wie écht kon kaartlezen had een vaardigheid. Je begreep de schaal, je zag het hoogteverschil aan de kleur, je wist hoe je een route aftastte op een tweedimensionaal vlak. Dat was niet vanzelfsprekend.
De eerste elektronische routeplanners
In de jaren negentig verscheen de ANWB-cd-rom. Je stopte hem in de computer, voerde je route in, en de printer ratelde een stapel A4’tjes uit met een kaartje per etappe. Het was revolutionair en tegelijk heel vertrouwd: je printte gewoon een nieuwe versie van het oude briefje. Ook bij de ANWB-kantoren kwamen grote beeldschermen waar je zelf kon plannen. De medewerker verdween stap voor stap naar de achtergrond.
Maar de wegenatlas bleef. Lang. Want de cd-rom kon niet meekijken in de auto, en de uitdraai miste de context die de kaart bood. Je zag op de print niet wat er naast de route lag, niet welk dorp je door reed, niet hoe het landschap eruitzag. De kaart gaf oriëntatie. De print gaf instructies. Dat is een groot verschil.
Wat er verdween
Toen de stem uit de telefoon het overnam, verdween de voorbereiding als ritueel. Je vertrok gewoon. Dat is efficiënter, geen twijfel. Maar iets ging mee de deur uit. De voorbereiding was ook een voorproefje van de reis. Die avond aan de keukentafel, met de atlas en de koffie, gaf het gevoel dat de vakantie al begonnen was. Je kende de route voordat je reed. Je wist welke plaatsen je passeerde, welke rivier je overstak, waar het landschap open werd.
De huidige automobilist weet na aankomst vaak nauwelijks meer hoe hij er is gekomen. De stem zei links, hij reed links. Praktisch, zeker. Maar de weg zelf, die heeft hij eigenlijk nooit leren kennen.
De wegenatlas, de Kampioen en het ANWB-kantoor waren geen losse hulpmiddelen. Ze maakten deel uit van een vaste routine die generaties automobilisten deelden: de keukentafel als kaartenkamer, de reis die al begon voordat je ook maar in de auto stapte. Kom je een wegenatlas tegen in een kringloopwinkel, sla hem dan eens open. De potloodstreep van iemand die er al eerder reed, zegt meer dan een scherm ooit kan.